In memoriam Edo Paardekooper Overman: ‘Je bent niet zomaar ervaringsdeskundige’

Vandaag, 12 december 2022, werd bekend dat Edo Paardekooper Overman overleden is. Edo heeft zich lange tijd intensief bemoeid met beleid rond dak- en thuisloosheid en psychiatrie. Hij maakte deel uit van diverse overlegorganen en hij was penningmeester van het bestuur van Werkplaats COMO (Cliënten Organisaties Maatschappelijke Opvang).

Hij wist zelf donders goed hoe het is om op straat te moeten overleven. En hij wist dat ook donders goed genuanceerd te verwoorden. Dat maakte hem een waardevolle stem in cliëntenraden en adviesraden. Op zijn LinkedIn pagina zegt hij over zijn activiteiten: ‘Belangrijkste doelstelling was en is steeds om zoveel mogelijk mensen zoveel mogelijk regie, zeggenschap over hun eigen leven en levensdoelen te geven.’

Ter nagedachtenis van deze bijzondere man publiceren we hier nog eens het interview dat Marc Räkers in 2017 voor Socialevraagstukken.nl met hem hield.

Edo Paardekooper

Edo Paardekooper is een opvallende ervaringsdeskundige, die menige bijeenkomst opfleurt. Als je hem ziet, vraag je je af: wat is zijn levensverhaal?

Nog voordat de voorzitster iedereen welkom heeft geheten op de bijeenkomst van het Amsterdamse Aanjaagteam Verwarde Personen, roept er iemand: ‘Kunnen we misschien van die naam af? “Aanjaagteam” klinkt als opjaagteam en dat is niet de goede toon.’ Het is Edo. Edo Paardekooper Overman (69), de vleesgeworden ervaringsdeskundige. Hij is niet te missen op veel congressen, symposia en andere bijeenkomsten, en doet daar zinnige duiten in het zakje. ‘Ik vind trouwens ook dat we beter kunnen spreken van een “verwarrende samenleving” dan van “verwarde personen”’, brengt hij later nog in. Wie is Edo Paardekooper? De ervaringsdeskundige vertelt.

‘Mijn levensverhaal, mijn rode draad, is best lang. Die begint in feite al bij mijn geboorte in Indonesië. Mijn vader werkte daar al voor de oorlog en kwam tijdens de oorlog in een jappenkamp terecht, waardoor hij ernstig beschadigd raakte. Na de oorlog kwam hij terug naar Nederland en leerde hij mijn moeder kennen. Zij wilden samen een leven opbouwen in Indonesië, maar ze vergisten zich, want al snel begonnen de politionele, koloniale, acties. Nog geen jaar na mijn geboorte besloten ze weer terug naar Nederland te gaan. Een beetje slechte start als je zo geboren wordt.

Mijn vader had in Nederland verder niks, dus die werd door de ouders van mijn moeder in het zadel geholpen, die hadden een houthandel. De bedoeling was dat hij die zou overnemen, maar daarin is-ie eigenlijk ook flink mislukt en daar is hij ziek van geworden. Uiteindelijk rolde hij de WAO in. Tussen mijn ouders ging het daardoor ook niet goed, mijn vader werd steeds meer afhankelijk van mijn moeder. Zij regelde alles. Uiteindelijk werd ik, op 11-, 12-jarige leeftijd, de man van mijn moeder en de vader van mijn vader. Een heel verkeerde rol natuurlijk, waardoor ik geen kind meer kon zijn.’

‘Gelukkig had mijn moeder dit wel in de gaten, dus die duwde mij na mijn eindexamen hbs in Haarlem in 1968 het huis uit. Ook al vond ik zelf dat dat niet kon, want ik voelde mij nog steeds de vader van mijn vader en de man van mijn moeder. Maar mijn moeder snapte gelukkig wel dat dat niet zo gezond was, dus die heeft mij bijna letterlijk het huis uit gezet. Ik ging bedrijfseconomie studeren in Amsterdam, en het doel was dat ik dan die houthandel zou overnemen. Ik zou wél die opvolger worden, daar was alles op gericht. Maar ik kwam terecht op de afdeling organisatieadvies van de ING. In Amsterdam ben ik nooit echt geaard, ik had ook weinig vrienden. Eenzaamheid. Ja… eenzaamheid. Bij de studentenpsycholoog, in groepstherapie. Daar begon een soort psychiatrische carrière van mij.’

 In de hulpverlenersval getrapt

‘Even later kom ik een leuke spontane meid tegen en daar ben ik mee gaan samenwonen. Zij kwam uit een groot gezin en naar later bleek, had ze een verleden van seksueel misbruik door haar vader en oudste broer. Behoorlijk gekwetst dus, een gezonde relatie opbouwen was daardoor een beetje moeilijk. Door mijn achtergrond én door haar achtergrond. Toen ben ik in de hulpverlenersval getrapt, ik ging natuurlijk dat meisje redden. Uiteraard. Heb ik heel lang gedaan trouwens, mensen redden. En eigenlijk nog steeds. Maar ik weet het nu, dat is het verschil.’

‘Met mijn vriendin heb ik heel veel meegemaakt. Zij raakte psychotisch en toen hebben we samen alle mogelijke medicaties, therapieën en alternatieve geneeswijzen onderzocht. Van Osho uit India tot Jomanda aan toe. Hebben we allemaal gedaan. Ik wilde wel met haar door. Zij raakte zwanger van ons eerste kind en tijdens de zwangerschap ging het goed mis. Zij raakte er psychotisch van en dacht dat ze Jezus ter wereld ging brengen. Een beetje lastig.’

‘Ik wilde wel uit Amsterdam weg. Geen goede plek voor kinderen, vond ik. We gingen naar Hoorn en daar werd ons tweede kind geboren. Zij bleef kwetsbaar met periodes waarin ze psychotisch was. Ze is toen ook een aantal keren opgenomen geweest en dan was ik thuis en zorgde voor de kinderen. Maar je merkt dat je als gezin ook last krijgt met je omgeving. Familie en vrienden vonden het moeilijk om met ons om te gaan. Zij was in die periodes vaak boos op de buitenwereld. Op iedereen, ook op familie en vrienden. En dan heb je op een gegeven moment dus geen vrienden of familie meer. Dan raak je geïsoleerd als gezin. In die periode gebeurden er ook nog een aantal dingen waaruit ik mijn motivatie heb meegenomen, zo werd zij bijvoorbeeld seksueel misbruikt door een psychiater, nou ja, dat soort dingen. Dat wil je allemaal niet, dat schiet niet op. En toen ging ik zelf ook onderuit. Ik ben toen flink de burn-out in gedonderd.’

Ik besefte dat het niet meer beter zou worden

‘Uiteindelijk ben ik met de kinderen uit huis gegaan omdat het niet meer ging. Er werden signalen afgegeven door de vertrouwensarts en door school dat het dreigde mis te gaan en dat de kinderen misschien wel uit huis gehaald zouden worden. Toen ben ik gegaan. Ik besefte dat het niet meer beter zou worden. We zijn in Haarlem gaan wonen, waar ik oorspronkelijk vandaan kom. Daar hebben we een tijdje bij mijn zus in huis gewoond, tot ik zelf een huis kreeg. Ik probeerde mijn werk weer op te pakken en verzorgde mijn kinderen zo goed mogelijk, zij werden een tijdje “sleutelkinderen”, maar uiteindelijk kon ik het niet alleen. Er was niemand met wie ik mijn gedachtes en gevoelens kon delen. Toen zakte ik een depressie in. Veel erger dan de eerdere overspannenheid. Het werd een ernstige depressie.’

‘Ik deed een aantal suïcidepogingen en toen is er ingegrepen. Onder anderen door mijn moeder en een bevriende psychiater. Hup, de crisisopvang in, gesloten opname, de kinderen het huis uit… Na een week of zes, acht open opname en toen weer naar huis. De kinderen kwamen ook weer thuis en ik had tijdens de opname in de kliniek een nieuwe vriendin ontmoet. We herkenden heel veel in elkaar natuurlijk en daardoor was er een nieuwe liefde ontstaan. Maar dat ging ook niet echt goed want zij had enorme behoefte aan kinderen dus ging ze zich opstellen als de moeder van mijn kinderen. En dat is geen goede start van een relatie, moet ik zeggen. We zijn wel vier jaar getrouwd geweest, maar het mislukte helaas. Gescheiden, een aantal heftige dingen en een hoop gedoe, en toen ben ik weer zelf voor de kinderen gaan zorgen. Gelukkig waren die inmiddels al wat ouder, zaten tegen hun eindexamen aan.’

In een soort hypomanie geschoten

‘Ik was in die periode himmelhoch jauchzend uit een depressie gekomen en toen ben ik een soort hypomanie in geschoten. Veel te veel geld uitgegeven, autootje gekocht, alles ging goed. Ik ga voor m’n kinderen zorgen en ik kom wel weer iemand tegen… Dacht ik. Schulden gemaakt, eigenlijk had ik mijn huis toen moeten verkopen, maar toen ontmoette ik inderdaad weer iemand anders. Hartstikke leuke, mooie vrouw, maar ik trapte weer met open ogen in mijn hulpverlenersval. Mensen redden, of in mijn geval vrouwen redden. Zij lag net in een scheiding en daarin was ze kwetsbaar en vonden we elkaar. Ik helpend en zij ondervond steun.

Zij had twee dochters, ik twee zoons, ik moest eigenlijk mijn huis uit en het leek eigenlijk wel een goede relatie dus we gingen samenwonen. In haar huis. Maar dat ging niet lekker. Twee dochters en een moeder met hun eigen levenswijze en dan ineens twee zoons met hun vader erbij, met een andere leefwijze. Dat ging niet samen. Onze relatie kwam al snel onder spanning. Niet goed voor mijn kinderen. De oudste ging snel op kamers en de jongste kwam uiteindelijk in begeleid wonen terecht en daar heeft-ie zich redelijk gered. En toen werd ik dakloos. Zij beëindigde onze relatie. Voor mij was het nog niet over, maar voor haar dus wel. Na een tijdje moest ik de sleutel inleveren en stond ik op straat. Het was haar huis.’

‘Ik had geen oplossing. Dus ik was echt buiten. Dakloos. Een rare situatie natuurlijk. Een maand of drie heb ik echt buiten gelopen. Op een gegeven moment kom je dan mededaklozen tegen en die weten van de daklozenopvang. Daar drentelde ik een paar keer langs, want ja, je denkt dat je daar ook niet thuishoort, maar uiteindelijk heb je geen keuze. Je moet wat. Ik had regelmatig geen geld, want ik sliep af en toe wel in een hotelletje, maar je geld raakt snel op. Na een tijdje kwam ik dus toch bij het Leger des Heils terecht. Eerst een periode in een pensionachtige omgeving zonder hulpverlening, tot ik terechtkon bij de 24-uursopvang, ook van het Leger des Heils. Daar heb ik een jaar gezeten. En daar heb ik mezelf weer een beetje bij elkaar kunnen pakken. Ik worstelde met vragen als: Wie ben ik nou eigenlijk? Vind ik mezelf wel de moeite waard? En dat bleek gelukkig wel zo te zijn.’

Ik ben niet nummer zo en zoveel

Daar kwam ik toen ook dingen tegen die ik niet vond kloppen. Ik dacht: ik ben Edo Paardekooper, ik ben niet nummer zo en zoveel, de dakloze die niet weet hoe hij zijn leven moet inrichten, die van meisjes van 23 moet horen wat er wel en niet mag, ja hallo! Dus daar wilde ik op een gegeven moment wel het gesprek over aangaan. Ik ervaar de mensen die in de maatschappelijke opvang werken ook meer als gelijkwaardig dan degenen in de ggz. Dat was toen ik ermee te maken had echt een wittejassenwereldje en dat zijn andere autoriteiten dan degenen die in de daklozenopvang werken.

Vanuit deze door mij beleefde gelijkwaardigheid – en dat is lang niet altijd wederzijds trouwens – kan ik veel makkelijker het gesprek aan. Ik had te maken met mensen die hun taak niet adequaat uitvoerden. Soms hadden ze geen idee van de sociale situatie waarin ik verkeerde. Of ze hadden geen idee hoe je iemand als mens kunt blijven benaderen en zien. Er was geen gelijkwaardigheid. Ik kreeg maatregelen opgelegd; ik mocht niet naar de huiskamer omdat ik te eigenwijs was of te brutaal of weet ik veel… Nou ja, op een gegeven moment vroeg ik of ik mijn dossier mocht inzien, maar dat kon niet, zeiden ze. Hoezo niet? Ik heb inzagerecht. Nee hoor. Tot aan de directeur ben ik doorgegaan.’

‘Hier ontleen ik wel enige motivatie aan, dacht ik toen. Ik kwam toch niet meer aan het werk, ik zat in de WAO en kreeg van de arbeidsdeskundige te horen dat ik het maar rustig aan moest doen. Maar dat vond ik te makkelijk voor mezelf. Hier ga ik wat aan doen, dacht ik, en ik kreeg al snel contact met iemand die daar in de cliëntenraad zat. Daar ben ik in terechtgekomen en na een tijdje werd ik voorzitter en daarna voorzitter van de landelijke cliëntenraden en dan gaat het vanzelf lopen. En ik ben niet dom, dus ik kreeg ook al snel door dat het contact met de hulpverleningsorganisaties beter werkte als ik ook de gemeente of de zorgverzekeraars aan tafel had – dat soort dingen. Nu gebruik ik ook kennisinstituten, ervaringskennis van anderen.’

Bemoeien met het beleid

‘Heel snel nadat ik in de daklozenzorg terechtkwam, ben ik me ook met het beleid gaan bemoeien. Dat kwam natuurlijk voort uit mijn redderssyndroom. Als je zelf merkt dat je zo weinig adequate aandacht, zorg en steun kunt vinden als er ergens iets misgaat… Dat werd mijn motivatie. Dat redderssyndroom deel ik met heel veel hulpverleners trouwens, maar ik heb ondertussen wel geleerd om niet meer in de val te trappen dat ik persoonlijk mensen kan redden. Je moet weten dat dat je motivatie is en je moet vooral ook je beperkingen kennen, maar veel professionele hulpverleners zijn helaas nog niet zover. Ik heb heel veel gereflecteerd op mijn ervaringen en ik heb geleerd dat dat redden mijzelf niet iets goeds brengt en de ander ook niet.’

‘Dus ik heb geleerd hoe ik niet meer zover in die reddersrol stap dat er geen onderscheid meer is tussen mijzelf en de ander. Je moet eerst jezelf kunnen zijn voordat je samen kunt zijn. Of dat nou in een liefdesrelatie is, in een samenwerkingsrelatie of in een hulpverleningsrelatie, dit gaat altijd op. Herstellen doe je zelf, zeggen ze, en dat heeft dus alles te maken met zelfrealisatie. En om nog maar weer eens het hardnekkige misverstand te benoemen: zelfrealisatie gaat niet over genezen, terug naar hoe het was. Dat is echt iets anders dan herstel zoals wij daarmee bezig zijn.’

‘Hoewel ik er niet voor betaald word, beschouw ik mijzelf wel als een geprofessionaliseerde ervaringsdeskundige. Er woedt een discussie binnen de wereld van de ervaringsdeskundigen over wanneer je effectief ervaringsdeskundige kunt zijn. Ik zie te veel mensen die bij wijze van spreken drie weken geleden nog in de crisisopvang zaten en die morgen weer totaal ontregeld aan de haldol kunnen zitten en die zich vandaag presenteren als ervaringsdeskundigen. Nou, dat moet je niet doen, denk ik. Daarmee maak je jezelf heel erg kwetsbaar, maar de ander ook. Die verwacht dan iets van je wat je niet kunt bieden. Het is echt nodig dat je een heel eind bent in je herstelproces. Dat je dit proces min of meer hebt kunnen afronden en dat het onderdeel geworden is van jezelf. Dat is volgens mij echt noodzakelijk om effectief ervaringsdeskundige te kunnen zijn, anders richt je alleen maar schade aan.’

Marc Räkers is verbonden aan de stichting Eropaf! en aan de Amsterdamse opleiding voor ervaringsdeskundigen COEVA. Hij verbleef als puber twee jaar in een internaat en zat als 19-jarige een jaar gedetineerd.